13. GLASCASTING

Glascasting is het smelten van glas in een vooraf gemaakte mal, die gebaseerd is op een model, waarmee je een solide glasobject maakt. Het model kan zelf ontworpen zijn of op basis van een bestaand product. Casting wordt soms gezien en besproken als een vorm van fusing omdat het vaak wordt uitgevoerd in een fusingoven, maar feitelijk is de werkwijze dermate verschillend ten opzichte van het “gewone” fusen dat we hier toch een afzonderlijk hoofdstuk aan wijden. Overigens is het casten van glas ook heel goed mogelijk in een keramiek-oven, die meestal hoger is en verwarmingselementen aan meer zijden heeft. De informatie in dit boek beperkt zich tot de basisgegevens en eenvoudige toepassingen. Met name het maken van mallen is niet eenvoudig en wie er serieus mee aan de slag wil, doet er goed aan om ook een workshop of praktijkcursus te volgen. Het leren maken van gipsmallen en kleimodellen gaat nu eenmaal beter door het
effectief te doen in plaats van het uit een theoretisch boek te leren. Er bestaan diverse mogelijkheden en verschillende materialen om mallen mee te maken maar we beperken ons hier tot de meest eenvoudige en goedkopere methodes. Indien het onderwerp je aanspreekt zijn er naast cursussen ook nog wel speciale naslagwerken over te vinden die nog dieper ingaan op dit onderwerp en waaruit nog meer te
leren valt.

 

Glascasting is aan het begin van de 19e eeuw in Frankrijk voor het eerst als kunstvorm beoefend, toen kunstenaars zoals Gabriel Argy-Rousseau, Henri Cross en René Lalique de eeuwenoude technieken nieuw leven gingen inblazen. Argy-Rousseau specialiseerde zich in een techniek om glazen en schalen te maken door fijne glaskorreltjes samen te smelten in een mal, wat de naam “pâte de verre” (pasta van glas) kreeg. Anderen gingen meer de richting uit van vloeibaar glas en ontwikkelden methodes om glas te laten vloeien in vooraf gemaakte mallen en vormen. Beide methodes worden heden ten dage nog toegepast.

Het model

De basis van elke mal is het model, dat je later in glas gaat maken. We zullen hierna 3 uitgangspunten bespreken op basis waarvan je een castingmal kunt maken:

–             Het klei-model

–             Het was-model

–             Het uitbrand-materiaal

Het maken van een mal met klei-model

De basis is een vorm van klei die je in glas wilt creëren. Door van dit model een malvorm te maken, kan die weer worden opgevuld met glas. Dit is een klus die makkelijk lijkt, maar dat heus niet altijd is. Om te beginnen moet je een vorm kiezen. Gebruik een fijne klei, zodat de binnenwand van de mal redelijk glad wordt.

 

 

Als het model klaar is en de klei goed droog is aan de buitenkant, kun je met het malmateriaal aan de slag. Dit bestaat uit verschillende componenten die elk hun eigen taak in de materie hebben:

 

Gips:     Verband               Hoe meer gips, hoe harder de mal wordt.

Kwarts: Oppervlak           De hoeveelheid kwarts bepaalt hoe glad een mal wordt

Chamotte:          Poreusheid         De grove chamotte-deeltjes beperken de uitzetting

 

Voor een eenvoudige castingmal maken we een poeder­mengsel aan van:

–             2 delen gips

–             2 delen kwarts

–             1 deel chamotte

Zorg ervoor dat deze stoffen gelijkmatig (droog) vermengd zijn. Daarnaast zorg je voor een bakje of kom met daarin een hoeveelheid water van ruim 2 delen, dus ruim dezelfde hoeveelheid als de gips. Vervolgens strooi je het gipsmengsel langzaam in het water. Dan roer je met een spatel het geheel tot een dunne, gladde massa. De hoeveelheid water
bepaalt de dikte van de massa en dit leer je uiteindelijk in de praktijk, op gevoel en mogelijk door je te laten begeleiden in een workshop. Te weinig water maakt het mengen onmogelijk, teveel water geeft geen hanteerbaar gipsmengsel. Tijdens het mengen ontdek je vanzelf of de verhoudingen juist zijn en kun je alsnog wat water of juist droog mengsel toevoegen. Het beste kun je een bakje of kom gebruiken met een gladde binnenwand, zodat je de componenten goed kunt mengen en de kom ook goed leeg kunt scheppen, zodat er geen restmateriaal in achterblijft. Resten worden snel hard en de kom moet herhaaldelijk gebruikt gaan worden, dus vermijd lastige schoonmaakklusjes zoveel mogelijk. Gebruik een spatel waarmee je de materie snel door elkaar kunt mengen. Denk eraan dat het gips direct gaat
reageren en verharden zodra het met water in contact komt. Snelheid is dus geboden!

 

 

Tip: gebruik een stofmasker tijdens het werken met gipspoeder, want tijdens het aanmaken zal het zeker opstuiven.

 

 

Als alles goed is gemengd kun je het malmateriaal op je kleimodel gaan aanbrengen. Maak hiervoor een bak met vier wanden (geen bovenkant!) die rondom je kleimodel geplaatst wordt en zorg ervoor dat de wandjes ongeveer 1,5 tot 2 cm van je model af staan. Je kunt het gipsmengsel hier eenvoudigweg in gieten, tot het model ca. 1,5 tot 2 cm onder de gips is verdwenen Het gieten dient langzaam te gebeuren, zodat eventuele lucht nog kan ontsnappen en de gips goed kan inzakken. Als de bak vol is laat je hem ongeveer een uur staan om te drogen. Dan kun je de wandjes weghalen.

 

Het klei-model wordt volledig bedekt met het gipsmengsel

 

Vervolgens herhaal je de hele actie om een tweede laag van het gipsmengsel aan te brengen. Dus maak de tweede bak iets groter, zodat er een ruimte van ongeveer 1,5 cm vanaf de eerste mal ontstaat en giet nogmaals de bak vol. Op die manier maak je dus een dubbelwandige mal. De reden hiervoor is de volgende: het malmateriaal is erg poreus en gevoelig voor breuk tijdens het stoken. Indien de binnenmal zou scheuren, kan deze scheurlijn eventueel door de tweede laag worden gestopt, zodat het geheel niet uit elkaar valt. Als de tweede laag is gedroogd, kunnen de wandjes worden verwijderd. Draai de mal om en verwijder voorzichtig het klei-model. Als de vorm eenvoudig is en de wanden glad zijn, is dat meestal geen probleem. Eventueel kun je hulpmiddelen in de vorm van een lepel of eenvoudig gereedschap gebruiken, maar met een beetje geluk kun je de klei met de vingers verwijderen.

 

 

Dan begint de volgende stap; het drogen van de mal. Het is beste om de mal eerst enkele dagen aan de lucht te laten drogen. Hoe langer je hem laat staan, hoe beter het is. Daarna wordt de mal nog verder gedroogd en gehard in oven. De exacte tijd die genomen moet worden voor het opwarmen is moeilijk definieerbaar, aangezien geen enkele mal overal dezelfde dikte zal hebben en de hoeveelheid water die het mengsel bevat, niet vastligt. De vuistregel is in elk geval: hoe langzamer je stookt, hoe sterker de mal wordt. En hoe vochtiger de gips, hoe langzamer je moet stoken. Aarzel dus niet om in een uur naar 100°C te gaan en een uur te soaken. Hierna kun je nog een keer met dezelfde snelheid doorstoken naar 200°C. Hier soak je tot het vocht eruit is. Dit controleer je door een helder glaasje voor het ventilatiegat te houden. Als er damp op slaat, komt er nog vocht uit de oven. Als er geen damp meer is, kun je de oven laten afkoelen met gesloten deksel. Het is wel belangrijk dat je tijdens het hele stookproces de oven ventileert, zodat het vocht kan ontsnappen. Zet dus de ventilatie- en kijkgaten open of – als je geen kijkgaten hebt – zet de oven op een klein kiertje open.

Overigens komt het vrij makkelijk voor dat er scheurtjes in een gipsmal komen tijdens het drogen. Hopelijk blijven die scheurtjes beperkt tot de eerste laag van het gipsmengsel, dan hoeft het probleem te zijn. Grotere scheuren vormen een gevaar, de mal kan dan ook wel in 2 (of meer) stukken uit elkaar vallen, en dat risico kun je beter niet nemen. Dus: haarscheurtjes zijn acceptabel, grotere scheuren niet! Het ontstaan van scheurtjes is – en dat zal je niet verbazen – het gevolg van een te snelle droging.

Mal van was-model

In plaats van klei kun je ook modelwas gebruiken voor het maken van de gewenste vorm. Van deze was kun je zelf een vorm maken door hem eenvoudigweg te boetseren. Het wasmodel wordt verder hetzelfde met gips behandeld zoals het kleimodel. Vervolgens wordt, als de mal droog is, de was eruit gestoomd. Dit kan bijvoorbeeld met de hete damp van een stoomapparaat (om behang te verwijderen). De was is, mits hij schoon blijft tijdens het uitstoken en netjes opgevangen wordt, geschikt om vaker te gebruiken. Deze methode wordt ook vaak beschreven als de “verloren was”- methode.

Als het wasmodel in de gips is gezet, kan de was worden verwijderd met een slang met hete stoom

 

Mal van uitbrand-model

Naast klei of was kun je ook andere materialen
gebruiken om als vorm te gebruiken voor het casten, namelijk natuurlijke materialen die je kunt verbranden. Hout, karton, groente en fruit zijn allemaal geschikt als basis!

Het model (bijvoorbeeld een bolletje knoflook) wordt voorzien van een verticaal steuntje van klei. Hierdoor kan het modelletje blijven staan en de ruimte die de klei inneemt, wordt later gebruikt als toevoerkanaal voor het glas. Plaats het model op een tafelblad en breng met een spatel het gipsmengsel op het model aan. Het eerste laagje van het gipsmengsel zal voor deze methode dun aangemaakt moeten zijn, zodat het goed in alle kleine ruimtes zakt. Het meest lastige is om de onderkant van het model goed bedekt te krijgen, omdat het gipsmengsel snel naar beneden druipt. Eventueel kun je het model ook even onderstboven houden en gipsmengsel over de onderste helft laten vloeien. De volgende laag kan dan met wat dikker mengsel worden opgezet. Voeg voldoende
lagen toe zodat het model overal met tenminste 3 cm materiaal is bedekt. Tijdens dit “opbouwen” werk je naar een platte bovenkant toe, zodat de mal later andersom in de oven kan staan.

 

De eerste laag wordt dun opgezet

 

Met de laatste laag zorg je voor een platte bovenkant

 

De klei kan worden verwijderd vóór het uitstoken

 

Als het gipsmengsel voldoende droog is kun je de klei verwijderen en de mal uitstoken in de oven. Plaats de mal hiervoor in de oven met de opening naar boven gericht en stook naar 650 graden met een soak van ca. 2 uur. De inhoud van de mal (de knoflookbol) zal na afloop volledig verbrand zijn. Eventueel kun je de gedroogde mal nog even ondersteboven houden en met een zacht kwastje voorzichtig de verbrandingsresten eruit borstelen. Daarna kan de ontstane ruimte met glas worden opgevuld. Men noemt deze manier ook wel de “verloren origineel”- methode.

De vorm van het model

Verder nog een belangrijk gegeven over het model, ongeacht of dit van klei of was is: tijdens het modelleren moet je al meteen rekening houden met de (on)mogelijkheden van het vullen van de mal. Vloeibaar glas kan niet in ruimtes terecht komen die naar boven gericht zijn. In vaktermen noemt men dit een “undercut”. Ter illustratie:

Geschikte vorm

 

Ongeschikte vorm, undercut

 

Het model wordt op een tafelblad geplaatst. De “bak” gaat eroverheen, de gips wordt van boven af erbij
gegoten. Later wordt de mal omgedraaid, het klei­model verwijderd en de mal wordt in de oven geplaatst om met glas gevuld te worden. Bij figuur 1 kan het glas zich in de gehele mal afzetten. Bij figuur 2 zal het uitstekende deel niet met glas gevuld kunnen worden!

Het smelten van glas in de mal

Als de mal gelukt is, kunnen we beginnen met het feitelijke casten; het laten smelten van glas in de mal, en dat is natuurlijk het spannendste! Voor casting kun je feitelijk elke glassoort gebruiken die je wilt, echter het resultaat zal per soort nogal anders zijn. Compatibel fusingglas is meestal al vrij helder, maar voor een optimaal helder resultaat kun je beter de billets (castingblokken) of optisch glas gebruiken, wat in grotere stukken verkrijgbaar is, waardoor je minder verstoringen krijgt. In de regel geldt; hoe groter de glasstukken, hoe helderder het eindresultaat wordt. Floatglas geeft het minst heldere resultaat, hierbij treedt altijd een bepaalde hoeveelheid ontglazing van de stukjes op, door de aanwezige tin in combinatie met de lange soaktijden. Bovendien zul je met floatglas altijd een licht groenige kleur verkrijgen, omdat dit glas van zichzelf al lichtjes groenig getint is. Bovendien is floatglas feitelijk te taai en daardoor minder geschikt voor casting.

Casten met vloeibaar glas

Bij het casten met vloeibaar glas krijg je meestal de meest heldere resultaten omdat er vrijwel geen luchtbellen in het glas zullen komen. Je hoeft geen smeltkroes te hebben om glas te kunnen laten vloeien in een mal, daar kun je zelf wat hulpmiddelen voor regelen. Zorg voor een ovenplaat of een strook daarvan, met in het midden een gat van ongeveer 2 tot 3 centimeter en plaats die op hoge steunen in de oven. Plaats daar bovenop een aardewerk potje dat aan de onderkant een gat heeft (klassiek bloempotje) en vul het potje met stukjes glas, eventueel in verschillende kleuren. Plaats de mal onder de ovenplaat, zodanig dat de opening precies onder het gat van de ovenplaat c.q. het potje uitkomt. Als je nu de oven naar een hoge temperatuur stookt, vloeit het glas vanzelf in de mal! Je kunt natuurlijk ook andere constructies bedenken om een potje of bakje zodanig in de oven te plaatsen, dat het glas in de mal vloeit, als het maar stevig staat en het glas niet naast de mal terecht kan komen. Als je een resultaat van helder glas nastreeft, is deze methode te verkiezen boven die van losse glasstukjes of fritten, want die creëren nadrukkelijk meer oneffenheden.

 

 

Met deze opstelling vloeit het glas precies in de mal

 

 

 

 

Na afloop is het eenvoudig om het resultaat uit de poreuze gips te breken

 

De knoflook-mal wordt ook gevuld met vloeibaar glas

 

Het resultaat van casting op basis van uitbrandmodel

 

Casten met glasscherven of fritten

Een eenvoudige methode voor beginners is vaak het smelten met kleine stukjes vlakglas. Om dit te kunnen doen moet je een mal hebben met een relatief grote opening aan de bovenzijde. Plaats de mal in de oven en vul hem geheel met kleine stukjes schoon glas of fritten. Schud de mal met glasstukjes even voorzichtig heen en weer, zodat hij optimaal gevuld kan worden.

Plaats de mal voorzichtig in de oven en stook naar de toptemperatuur. (beschrijving stookcurve volgt verderop) De glasstukjes zullen smelten en het geheel zakt in elkaar naar de bodem van de mal. Logischerwijs ontstaat er een lege ruimte in het bovenste deel van de mal, omdat er tussen de glasstukjes erg veel lucht zit, die naar boven ontsnapt. Wie het juiste gereedschap heeft en voldoende lef om op hoge temperaturen de oven te openen, kan de mal op een gegeven moment aanvullen met stukjes glas, zodat de mal zich verder kan opvullen. Beter is het om tijdens het maken van de mal een extra diep toevoerkanaal temaken, zodat je er direct al meer glas in kunt doen. Bedenk echter wel dat de lucht die onderin zit, een lange weg te gaan heeft naar de oppervlakte. Dus als je weinig luchtbelletjes in je castingobject wilt hebben, zul je het geheel erg lang op de toptemperatuur moeten laten soaken, en/of de vulling in meerdere lagen moeten aanbrengen.

Mal gevuld met fritten vóór het stoken

 

Na het stoken is het glas aanzienlijk ingezakt!

 

 

Als het glas gedurende 25 minuten niet meer verder is ingezakt, kun je ervan uitgaan dat het voldoende lang gestookt is en kan het afkoelproces beginnen. Verder bepaalt de grootte van de stukjes/korrels ook het uiteindelijke visuele resultaat: hoe groter de stukken, hoe minder zichtbare lijntje en oneffenheden er ontstaan.

Casten met billets of andere grote brokken

Het principe hiervan is identiek aan het smelten van kleine stukjes. Het resultaat zal echter veel mooier zijn omdat je minder oneffenheden ziet. Een voorwaarde voor het werken met grote glasbrokken is echter wel dat de mal er geschikt voor moet zijn. De billets zijn erg makkelijk te gebruiken bij reliëfmallen, waar de ruimte voor het glas volledig open is.

Open reliéfmal, gebaseerd op een klei-plaat met relief erin verwerkt

 

Het resultaat; plat model van ca. 1 cm dik, helder glas

 

De hoeveelheid glas

Als je de mal gaat vullen met glas, zul je vooraf goed moeten bepalen wat de exacte hoeveelheid glas is die benodigd is om de mal volledig te vullen. Gebruik je te weinig glas dan krijg je maar een half model,
gebruik je teveel glas dan loopt het over de rand heen en moet je het later afbreken, wat absoluut problemen oplevert. Voldoende reden om hier aandacht aan te besteden.

Bij een mal die met stukjes koud glas wordt gevuld is dat makkelijker, vol is vol. Maar bij het gebruik van uitbrandmodellen moet je vooraf weten of de hoeveelheid glas die in het vulpotje gaat, voldoende is om de mal te vullen.

De meest nauwkeurige methode om de hoeveelheid glas te bepalen is de volgende;

Neem een maatbeker, vul die half met water en noteer de inhoud. Laat het klei- of wasmodel in de maatbeker zakken en bepaal het verschil in milli­liters = het model in waterhoeveelheid.

Indien je met billets werkt, kun je als volgt te werk gaan: haal het model uit het water en plaats er stukken glas in, tot dezelfde inhoud in bereikt als toen het model in het water zat. Dat is de hoeveelheid glas die je kunt gebruiken.

Werk je met stukjes glas of fritten, dan kun je beter een berekening maken; als je de waterhoeveelheid in milliliters hebt bepaalt kun je die omrekenen naar een hoeveelheid in glas. Hiervoor hanteer je de formule: gewicht van glas= 2,5 x het gewicht van water. Als je dus een model hebt met een waterhoeveelheid van 200 ml, heb je 500 gram glas nodig als vulling. Vervolgens bepaal je de juiste hoeveelheid glas die je nodig hebt met behulp van een (digitale) weegschaal. Als je ervoor kiest om het glas vanuit een potje in de mal te laten vloeien moet je bovendien nog een kleine hoeveelheid glas extra nemen, omdat er een restant glas aan de binnenwanden van de pot zal blijven kleven.

Stookcurve voor casting

Omdat de glasmassa bij casting veel groter is dan bij de verwarming van plaatwerk, is het logisch dat de opwarming, maar met name de afkoeling veel langer moet duren. Allereerst wordt het stuk langzaam opgewarmd tot 540°C. De berekening van de opwarmtijd tot 540°C is uiteraard afhankelijk van de dikte van het glas en globaal:

Bij een object tot 20 mm dikte: opwarmsnelheid van 17 minuten per mm glasdikte

Bij een object tussen 20 en 40 mm dikte: opwarmsnelheid van 20 minuten per mm glasdikte

Bij een object tussen 40 en 100 mm dikte: opwarmsnelheid van 27 minuten per mm glasdikte

In de praktijk wordt er het meeste gebruik gemaakt van het casten met fritten of stukjes glas. Tijdens de opwarming heb je dan nog niet te maken met een dik stuk glas, maar met meerdere stukjes dun glas. Omdat de hoeveelheid meestal toch wel redelijk groot is, kun je het makkelijkste de opwarmtijd berekenen als ware het een stuk van 6 mm dik. Om een knoflook als voorbeeld aan te houden: op het dikste punt gemeten wordt dit een model van 40 milli­meter. De opwarmtijd (losse stukjes glas) bedraagt dus 6 x 17 = 102 minuten. Vanaf 540°C kun je het stuk zo snel mogelijk doorstoken naar ongeveer 820 tot 850°C, afhankelijk van de glassoort. Hier laat je de oven gedurende 30 tot 60 minuten soaken. De soaktijd is sterk afhankelijk van de grootte van je object maar een richtlijn is 1 uur soaken per 3 cm glasdikte.

Na het soaken volgt een snelle afkoeling tot het upper annealpunt, vanaf dat punt volgt een afkoeltraject wat volgens dezelfde rekenmethode gaat als het gewone fusing met glasplaatjes. Dat betekent dus eerst een annealing-soak op het upper annealpunt. Echter, omdat het glas zit opgesloten in het warme gipsmateriaal, dient de soakingtijd hier 3 x de opwarmtijd te zijn. In het geval van de knoflook is dat dus 102 x 3 = 306 minuten.

Vervolgens koel je in 1,5 x de soakingtijd – dus 459 minuten – naar het lower anneapunt en programmeer een soaking van wederom 306 minuten. Vervolgens laat je in wederom 459 minuten de oven nog koelen tot 380°C en vanaf daar schakel je de oven uit en laat hem vanzelf afkoelen tot kamertemperatuur.

 

Vanaf de start van de opwarming tot het moment dat de oven weer naar kamertemperatuur terug is afgekoeld kan dus wel ruim 40 uren duren!

De afwerking

Als het stookproces succesvol is verlopen en het glas geheel is afgekoeld, kan de mal voorzichtig van het glas worden verwijderd. Dit betekent meestal een rommelig en stoffig klusje want het gips wordt daarbij in stukken van het glas gebroken, tot het
resultaat helemaal zichtbaar is. En dat resultaat ziet er in de eerste instantie wellicht niet zo netjes uit, met alle gipsresten erop. Allereerst moet het dus grondig worden schoongemaakt in water, met behulp van een borstel en eventueel een anti-kalkmiddel.

Afhankelijk van de kwaliteit van het model en de mal, kan het glasobject nog een verdere nabewerking nodig hebben. Veel kunstenaars laten hun objecten bewust ruw en dus minder transparant. De meest ruwe uitstraling heeft het object natuurlijk als er verder niet of nauwelijks wordt nabewerkt. Eventueel kan met schuurpapier nog iets gelijkmatiger worden opgeruwd en ook kan het object in zijn geheel (of juist gedeeltelijk) worden gezandstraald, voor een gelijkmatig maar dof resultaat. Wie veel geduld
en/of de juiste gereedschappen heeft kan ook besluiten om het object volledig te polijsten, zodat het weer helder en glanzend wordt.

 

Pâte de verre

Met pâte de verre worden glasobjecten gemaakt die doelbewust niet helder transparant zijn. Niet iedereen kan dit in eerste instantie waarderen maar wie de complexiteit van deze techniek heeft ervaren krijgt ongetwijfeld meer respect en bewondering voor de kunstenaars die dit vak uitoefenen. Het maken van een pâte de verre object is lastiger dan het “gewone” glascasting, een praktische cursus is hier dan ook op zijn plaats. Vandaar dat dit onderdeel in dit boek niet uitgebreid wordt beschreven.

In principe kun je voor een pâte de verre object ook gewoon een model van klei of was maken, waarvan je een gipsmal maakt. Je dient er rekening mee te houden dat de opening van de mal voldoende ruim moet zijn om met kwastjes en spateltjes de binnenkant te kunnen bewerken. De binnenwand wordt namelijk handmatig bedekt met een mengsel van heel fijne glasfritten of glaspoeder, vermengd met een dunne lijm.

Het aanbrengen van het glas moet héél gelijkmatig gebeuren, want waar teveel dikte van deze “glaspasta” terechtkomt, zal de massa naar beneden zakken. In de regel zijn de laagjes steeds 1 tot 2 mm dik. Een te dunne bedekking veroorzaakt gaten in het object, omdat de glasdeeltjes tijdens het stoken naar elkaar toe smelten. Als je het te dik opzet, glijdt de hele massa naar het diepste punt van je mal. Wil je een iets dikker werkstuk maken, dan is het van belang dat je het glas in meerdere, dunne laagjes opbrengt, die je steeds goed laat drogen alvorens het volgende laagje aan te brengen.

 

Eventueel kun je na het aanbrengen van het eerste laagje een lichte tack-fuse doen zodat de glasdeeltjes aan elkaar vast gesmolten zijn en zich goed in de mal zetten. Dit is geen verplichting maar kan het aanbrengen van de volgende laagjes wel makkelijker maken.

Het stookproces voor een pâte de verre object is gelijk aan dat van “normale” casting en gebruikelijk wordt er gestookt op de tack-fuse temperatuur die bij die glassoort past, met een soaking op de toptemperatuur van 30 tot 60 minuten, afhankelijk van de totale massa glas. En blijkt dat het resultaat toch plaatselijk te dun is geweest, dan kun je daarna altijd nog wat glaspasta toevoegen en nogmaals stoken. Doordat het geheel is opgebouwd uit fijne korrels of poeders zal het glas na de stook niet zo helder zijn als bij het gebruikelijke casten of fusen. Bij een geslaagd resultaat heb je een mooi, gelijkmatig opgebouwd object met een egale, semi-transparante kleur.