8. ONTGLAZING

Ontglazing (devitrificatie) van glas is het geheel of gedeeltelijk mat, dof worden tijdens een stook. Het glas is niet meer helder en transparant, omdat de kwarts zich aan de oppervlakte van het glas afzet. Het is dus een vorm van kristallisatie van het oppervlak. Bij het fusen van glas komt dit regelmatig voor en het is handig om te begrijpen hoe zoiets kan ontstaan en hoe het is te voorkomen.

 

Zand heeft een zuivere kristalstructuur. Bij de productie van glas worden daar diverse stoffen aan toegevoegd zoals bijvoorbeeld soda, lood en kleurstoffen, meestal in de vorm van oxides. Deze toevoegingen noemen we “fluxen”. Wanneer al deze middelen vermengd worden met het zand, wordt de kristalstructuur verstoord. De moleculen zijn als het ware niet meer regelmatig. Door deze verstoring wordt het makkelijker om te smelten.

Tijdens verhitting kunnen de fluxen die dicht tegen het oppervlak liggen, zich door invloed van zuurstof in de omgeving onttrekken aan de materie, en blijft er aan het oppervlak een laagje kwarts achter, dat niet meer gemengd wordt met fluxen. Daarmee ontstaat aan het oppervlak een dof laagje. En zit dat eenmaal op het glas, dan is het niet eenvoudig om dat ongedaan te maken. Wellicht redeneer je dat opnieuw stoken een remedie is, omdat de materie zich dan weer zouden kunnen vermengen, maar daarvoor zou het glas naar volledig vloeibare staat moeten worden gebracht, hetgeen in een fusingoven niet mogelijk is.

 

Ontglazing bij het fusen ontstaat het meest in de temperatuurzone tussen 680°C en 750°C. Daarom is het belangrijk deze fase zo snel mogelijk door te komen, door de oven op maximale snelheid door te stoken. Uiteraard moet je in deze fase de oven nooit openen, zodat de temperatuurstijging niet wordt verstoord. Ook het afkoelen van 800°C naar het upper annealingpunt dient daarom zo snel mogelijk te gebeuren.

De mate waarin glas gevoelig is voor ontglazing, is sterk verschillend per glassoort. Vooral opaak glas heeft de neiging makkelijk te ontglazen. Dit komt door de toevoeging van de grote hoeveelheid fluorine. Fluorine is hier eigenlijk een toegevoegd middel om de kristalstructuur nog losser te maken, zodat het glas minder doorzichtig is. Het speciale fusingglas heeft absoluut minder “last” van ontglazing dan andere glassoorten. Maar ook het fusingglas zal uiteindelijk ontglazen naar mate het vaker op hogere temperaturen gestookt wordt. Theoretisch kun je glas meerdere keren fusen wat bijvoorbeeld nodig kan zijn om een combinatie van effecten te verkrijgen, of als je van scherven van gebroken stukken (mits niet gebroken als gevolg van incompatibiliteit) opnieuw aan elkaar wilt smelten, maar op den duur zal de ontglazing zich manifesteren.

 

In de meeste gevallen is ontglazing een ongewenst effect, echter in sommige gevallen kan het juist ook een mooi effect geven. Soms kunnen ontglaasde plekken een beeld van “oudheid” geven en vooral bij kleurloos glas wordt het daarom soms geaccepteerd, of in een enkel geval zelfs nagestreefd. Is ontglazing echter ongewenst, dan zijn er een aantal manieren om het te voorkomen of te verwijderen.

Overglaze

Een prima manier om ontglazing te voorkomen is het gebruik van een “overglaze”. Een overglaze is een middel dat zorgt voor een glanslaagje op het oppervlak. Het lijkt een soort glazuur maar bestaat in feite uit een samenstelling van fluxen, die zich binden aan de kwarts, waardoor het dof worden van glas kan worden voorkomen. Overglaze is er als kant-en-klaar spray en als poeder dat met gedestilleerd water aangemaakt wordt tot een waterige spray. Er bestaat een overglaze voor hoge temperaturen en een voor lage temperaturen.



 

 

Het is belangrijk om heel gelijkmatig te sprayen en er vooral niet teveel van te gebruiken, anders krijg je een vlekkerig, wit-achtig resultaat. De overglaze is dus altijd vochtig als je het hebt aangebracht en moet nadrukkelijk opgedroogd zijn als het stookproces begint, zodat je kunt zien of je plaatselijk niet teveel hebt aangebracht. Het beste kun je een airbrush-spuitje gebruiken of een flacon met een verstuiver, die in een fijne nevel spuit.

 

Overigens kan een fusing werkstuk ook plaatselijke ontglazing vertonen, wanneer er bijvoorbeeld olie (van de glassnijder) of andere soorten vet of vuil op het glas zitten. Zorg dus altijd dat je het glas goed schoonmaakt voordat je het in de oven legt. Is het glas echt vuil, maak het dan eerst goed schoon met een glasreiniger. Eventueel kun je het daarna nog een keer schoonmaken met een mengsel van water en azijn (verhouding 9-1). Deze middelen ontvetten goed en laat geen resten achter. Aceton en alcohol zijn ook uitstekende ontvetters, maar meestal niet zo prettig in het gebruik. Wil je echt 100% zekerheid dat je geen ontglazingsplekken krijgt, gebruik dan de overglaze.

Flash-fuse

Als je ondanks alle voorbereidingen toch een werkstuk hebt dat een beetje ontglaasd is, dan kun je een flash-fuse doen. De ontglaasde plekken moeten eerst worden opgeruwd met bijvoorbeeld schuurpapier of een slijpmachine en vervolgens breng je wat overglaze aan. Dan stook je het werkstuk nogmaals als een normaal werkstuk, met een toptemperatuur van 720°C tot 730°C zonder soaking op de toptemperatuur. Het buitenste laagje glas smelt lichtjes en de geruwde oppervlakten zullen mooi glad worden. Op die manier kun je stukken met lichte ontglazing opnieuw glanzend maken. Deze methode kan dus ook worden toegepast als je bijvoorbeeld een werkstuk hebt wat na het fusen lelijke randen heeft die je wilt bijwerken met een slijpmachine. Na het slijpen heb je een vergelijkbaar effect: lichtgrijs, geruwd glas oftewel extreme plaatselijke ontglazing. Om ontglazing achteraf te verwijderen kun je ook aan de slag gaan met een polijstapparaat maar dat kost meestal erg veel tijd. Een flash-fuse is vaak een minder omslachtige methode.

Als een werkstuk erg veel ontglazing heeft, kun je er ook voor kiezen om het geheel lichtjes te zandstralen en vervolgens opnieuw te fusen. Door het zandstralen verwijder je in feite het toplaagje van het glas en krijg je dus gewoon een herkansing.

 

Aan het opnieuw fusen van glas zit overigens wel een grens, die per glassoort verschilt. Doorgaans gaat glas steeds meer ontglazen naarmate je het vaker naar hoge temperaturen stookt dus het aantal keren dat je glas opnieuw stookt moet je wel beperken. Ook wordt het glas op een gegeven moment gewoon zwakker en bij bepaalde soorten (vaak opalen) is dat zelfs zichtbaar, die hebben de neiging om na meervoudig stoken op den duur lelijke verstoringen aan de oppervlakte te gaan vertonen, het kan op een soort craquelé gaan lijken. Maak er dus geen gewoonte van om steeds maar dingen opnieuw in de oven te leggen als ze niet naar wens zijn, op een gegeven moment moet je toch maar besluiten om het te laten voor wat het is.

Ontglazing van floatglas

Bij floatglas vindt, in tegenstelling tot de meeste andere soorten, de meeste ontglazing plaats op wat hogere temperaturen. Bij een tack-fuse, die dus beneden 800°C blijft, zal de ontglazing meevallen. Bij een full fuse – ruim boven 800°C – zal de ontglazing sterker aanwezig zijn. En in ongeveer de helft van de gevallen kun je rekenen op extreme ontglazing, maar dat heeft een heel specifieke oorzaak; de tin die op het glas zit. Floatglas wordt, zoals de naam eigenlijk al verraadt, geproduceerd door het op een bad te laten drijven, waarvan de toplaag uit tin bestaat. De kant die in contact is geweest met de tin bevat dan ook een heel dun tinlaagje, wat de oorzaak is van de sterke ontglazing. Daarom is het aan te raden om floatglas altijd te fusen met de tinzijde aan de onderkant, dan is er aanzienlijke minder ontglazing. Maar het is met het blote oog helaas niet te zien welke de tinzijde is dus dát moet eerst worden vastgesteld.

Float testen op tin

Er zijn een aantal mogelijkheden om vast te stellen wat de tinzijde van een plaat floatglas is.

Allereerst de proef op de som: snijd een strookje van een glasplaat en noteer met een stift welke kant de bovenkant is, en maak dezelfde notering op de grote plaat waar het stukje van afgesneden is. Snijd het teststrookje in 2 stukjes en leg ze in de oven, één met de bovenkant naar boven gericht en de andere precies andersom. Onthoud of noteer welk stukje met de bovenkant naar boven gericht ligt en stook op 820°C of hoger. Na afloop kun je zien welk stukje sterk is ontglaasd en dát stukje heeft dan met de tinzijde naar boven gericht gelegen. Zo bepaal je welke kant van de grote plaat de tinlaag bevat en dat noteer je met stift op de grote plaat zodat je volgende keer, als er een werkstuk van gemaakt moet worden, precies weet welke kant je naar boven moet leggen.

Ook wordt er regelmatig geadviseerd om floatglas te controleren met een blacklight maar dit blijkt in de praktijk vaak toch te moeilijk en nogal onbetrouwbaar. Er zijn diverse lampjes te koop die hetzelfde doel moeten hebben maar eenvoudig is het meestal niet, De hoeveelheid tin op floatglas varieert nogal en bij een royale tinlaag kun je dit met zo’n lampje vaak nog wel zien, bij een mindere tinlaag wordt het een heel stuk moeilijker. De ideale methode is een speciaal filtertje dat op een blacklight wordt gezet. Dit is als één geheel te koop onder de benaming “tintester” en geeft absoluut en supersnel duidelijkheid. Als je een stuk floatglas tegen het filtertje aan houdt en je ziet een diffuus effect, dan is dat de tinzijde. Het verschil met de niet-tinzijde is direct zichtbaar als je het glasplaatje andersom tegen het filtertje aanhoudt. Een prijzig instrumentje, maar onmisbaar voor degenen die vooral met floatglas werken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het lampje schijnt hier tegen de zintijde

[ foto tintest 801 ]

 

 

 

 

 

 

 

 

Het lampje schijnt nu tegen de niet-tinzijde

[ foto tintest 801 ]